II. HISTORIE

II.1 INLEIDING

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling van de stad Enschede beschreven. Hoe de stad is ontstaan, zich heeft ontwikkeld, tot bloei is gekomen door de textielindustrie en hoe de stad de teneergang van de textielindustrie te boven is gekomen.
Nadruk wordt gelegd op de ruimtelijke en andere ontwikkelingen die een sterke invloed hebben gehad op de ruimtelijke structuur en opbouw van de stad.

Plaats in het onderzoek

Er is in plannen-makend Nederland steeds meer aandacht voor (cultuur-) historische structuren. In tegenstelling tot de wederopbouwperiode, waar men vaak met een bulldozer alle bestaande structuren uitwiste voordat een nieuwe wijk werd gebouwd, worden historische structuren nu steeds meer ingepast in allerlei nieuwbouwplannen. Dit heeft als positief gevolg dat de verscheidenheid tussen allerlei plannen toeneemt; de historische ondergrond is namelijk overal verschillend.
De geschiedenis van een stad speelt tevens een belangrijke rol in het (creëren van een) imago en een eigen identiteit. Door het behouden en benadrukken van historisch gegroeide structuren kun je als stad een stukje eigenheid creëren waarmee de stad zich onderscheidt van andere (concurrerende) steden.

Naast het versterken van eigenheid en imago zijn cultuur-historische gebieden en objecten van groot belang voor recreatie en toerisme en hebben ze vaak een grote emotionele betekenis voor mensen die zich met de betreffende stad of regio verbonden voelen.

II.2 HISTORIE

Vroege historie

Enschede is ontstaan uit een Nederzetting op de grens van de bisdommen Münster en Utrecht en vormde het centrum van de marken Eschmarke, Lonneker, Usselo, Twekkelo en Driene. In 1325 kreeg Enschede stadsrechten, en mocht sindsdien verdedigingswerken aanleggen. Een eerste gracht werd spoedig gebouwd, een tweede gracht werd rond 1450 aangelegd. Het stadje was echter erg klein, en bestond slechts uit een aantal straatjes, met in het midden (op de plek van de huidige Oude Markt) de kerk met kerkhof, pastorie en pastorietuin. Tussen de twee grachten lag een wal met daarin twee poorten: de Veldpoort in het westen en de Eschpoort in het oosten.
In de zestiende en zeventiende eeuw werd de stad regelmatig getroffen door rampen en oorlogsgeweld. Op 14 maart 1517 brandde Enschede vrijwel geheel af. Tijdens de tachtigjarige oorlog was Enschede wisselend in bezit van Spaanse en Nederlands troepen. Vooral aan het eind van de zestiende eeuw kreeg Twente het zwaar te verduren. In 1597 gaf Enschede zich over aan de troepen van Maurits. Hierna werden de grachten grotendeels gedempt, waarna er op de vrijkomende grond nieuwe woningen werden gebouwd.
De belangrijkste middelen van bestaan waren in die tijd landbouw en kleinhandel. Er werd veel vlas verbouwd dat door boerengezinnen, vooral diegene wiens land niet genoeg opbrachten, thuis werd gesponnen en geweven tot linnengoed.

Opkomst van de textielindustrie

Een tweetal ondernemers, Herman en Jan Jacobszoon van Lochem, stichtten in 1728 de eerste textielfabriek in Enschede, een fabriek waar bombazijn werd geweefd. Meerdere ondernemers volgden snel, waardoor de veel voorkomende huisnijverheid langzaamaan verplaatste naar de nieuwe fabrieken. De benodigde linnengarens werden gekocht van boeren in de omgeving; katoengarens werden geïmporteerd.
Op 20 mei 1750 brak er brand uit in een woning in de buurt van de Eschpoort. Binnen enkele uren werden meer dan 70 huizen verwoest. Na de wederopbouw kwam de textielnijverheid goed op gang. Na korte tijd werkte het grootste deel van de stedelijke bevolking in de verschillende spinnerijen en weverijen die Enschede rijk was.

In 1811, toen Nederland deel uitmaakte van Frankrijk, werd, onder bevel van Napoleon, het land definitief verdeeld in departementen, arrondissementen, kantons en gemeenten. Op dat moment werden de gemeenten Enschede en Lonneker gevormd, waarbij de gemeente Enschede bestond uit het stadje Enschede en de gemeente Lonneker het gehele omliggende landelijke gebied omvatte (de marken Lonneker, Usselo, Twekkelo en Groot Driene). Ook na de Franse overheersing bleef de gemeentelijke indeling in stand.

Stadsbrand

Op 7 mei 1862 ging Enschede opnieuw in vlammen op. Alle openbare gebouwen, ruim 600 woningen en meerdere fabrieken werden vernietigd. Slechts een rokende puinhoop was het restant van de bloeiende textielstad, die de week daarvoor nog koninklijk bezoek had ontvangen.

Echter, grootschalige hulpprojecten, uit zowel binnen- als buitenland, kwamen zeer snel op gang, zodat de stad in korte tijd grotendeels was herbouwd. Ook de ontwikkeling van de stad ging, na deze korte onderbreking, gestaag door. Belangrijke mijlpalen zijn o.a. de opening van de Twentsche Industrie- en Handelsschool, de eerste middelbare school in Nederland die was gespecialiseerd in de textielnijverheid, in 1864, en de opening van de spoorlijn Zutphen - Enschede in 1866. In de daarop volgende jaren volgden spoorwegverbindingen in alle windrichtingen: Gronau (1875), Boekelo - Haaksbergen (1885), Oldenzaal (1890) en Ahaus (1903). In 1908 werd de tramlijn Enschede - Glanerbrug geopend, die het echter drie decennia later al moest afleggen tegen de, veel goedkopere, autobus.

Annexaties

Door de snelle groei kwam de stad spoedig in ruimtenood. Hoewel de gemeente al in de eerste helft van de negentieden eeuw haar zinnen had gezet op (een deel van) het grondgebied van de gemeente Lonneker wist Lonneker een annexatie gedurende tientallen jaren tegen te houden. Uiteindelijk, in 1884, werd 621 hectare van de gemeente Lonneker toegevoegd aan Enschede, zodat het grondgebied van de gemeente Enschede vertienvoudigde en het aantal inwoners verdubbelde tot ruim 12000.
Enschede kon weer vele jaren op eigen grondgebied verder bouwen, en groeide uit tot de grootste textiel-industriestad van Nederland. De gemeente Lonneker ontwikkelde zich tegelijkertijd tot een welvarende landbouwgemeente.

De stedelijke ontwikkelingen in deze periode zijn van zeer grote invloed geweest op de huidige structuur van de stad. De vele textielfabrieken werden gebouwd aan de rand van de stad, vooral langs de spoorlijnen en, in minder mate, langs de (hoofd-)wegen. Voor de vele arbeiders die naar Enschede kwamen om in de fabrieken te werken, werden, vaak door de textielfabrikanten, complete woonbuurten gebouwd, waaronder het Pathmos, Dolphia en Tuindorp Broekheurne. Tevens werden er vele kleinere woonbuurten en -straten gebouwd, veelal in de directe nabijheid van de fabriek.
De textielfabrikanten legden in en rond Enschede ook verschillende stadsparken (voor de ontspanning van de arbeiders) en landgoederen (voor hun eigen woongenot) aan.
Doordat er vooral langs de bestaande (spoor-)wegen werd gebouwd kreeg Enschede een zeer open bebouwingsstructuur. Tussen de verschillende fabrieken en woonbuurten bevonden zich vele ‘lege’ plekken, die vaak hun agrarische functie behoudden. Pas in de jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw werden veel van deze plekken, waaronder het Lasonder en de Stadsweide, alsnog bebouwd, vooral met luxe woningen.

In de jaren twintig begon de ruimtenood in Enschede opnieuw te spelen. De gronden die ruim veertig jaar eerder aan Enschede werden toegevoegd waren grotendeels volgebouwd, zodat er opnieuw een discussie over annexatie van (een deel van) Lonneker op gang kwam. In 1934 werd in Den Haag besloten de gemeenten Enschede en Lonneker samen te voegen.

Oorlog en wederopbouw

De jaren dertig kenden een sterke economische achteruitgang, waardoor vele arbeiders zonder werk kwamen te zitten. Door de snel toenemende concurrentie uit Japan, waar vanwege de lage lonen veel goedkoper kon worden geproduceerd, kreeg de textielnijverheid in Nederland het zwaar te verduren. Vooral de export naar Nederlands-Indië viel bijna stil. Echter, halverwege de jaren dertig kwam er een kentering in de economie. In korte tijd was de vraag naar allerlei (textiel-)producten zo groot dat de industrie slechts met moeite aan de vraag kon voldoen.
In korte tijd maakte de textielindustrie een explosieve groei door. In 1938 werkte een kwart van alle Nederlandse textielarbeiders in Enschede!
Deze bloeiperiode was slechts van zeer korte tijd: In 1940 vielen de Duitsers het land binnen, waardoor de (economische) ontwikkeling van de stad plotseling stopte.
In de oorlogsjaren zijn vele gebouwen vernield, waaronder een grote zone direct ten zuiden van de binnenstad. Dit laatste gebeurde door bommen van geallieerde vliegtuigen.
Al voor de bevrijding (voor Enschede op 1 april 1945) werden plannen gemaakt voor de wederopbouw. Het creëren van bredere wegen tussen Enschede en de omliggende plaatsen en het aanleggen van de Boulevard als grote verkeersader direct langs de binnenstad waren, naast de grootschalige woningbouwplannen, speerpunten in de wederopbouw.
Woningbouw vond voornamelijk plaats op grote, aan de stad grenzende gebieden: o.a. Stadsveld, Twekkelerveld, Boswinkel en Mekkelholt stammen uit de wederopbouwperiode. De industrie kwam weer goed op gang en de werkloosheid was laag. Nog steeds was het de textiel die hier de dienst uitmaakte: eind jaren vijftig bezetten de textiel- en kledingindustrie samen ruim 80% van alle arbeidsplaatsen in Enschede.

Ondergang van de textiel

In de jaren zestig viel definitief het doek voor de textielindustrie. Door grote concurrentie uit Oost Europa en Azië alsmede verouderde productietechnieken in Nederland, gingen vele fabrieken fuseren in de hoop door schaalvergroting de problemen nog enigszins het hoofd te bieden. Echter er was geen ontkomen meer aan. Vanaf 1966 vielen er massa-ontslagen en ging menig bedrijf failliet. Duizenden mensen raakten werkloos. Om de werkgelegenheid te herstellen werden vele bedrijven naar Enschede gehaald: o.a. Philips en Polaroid werden door de gemeente ‘binnengehaald’. Ook vele dienstverlenende bedrijven en instellingen vestigden zich in Enschede, waaronder het internationaal befaamde ITC, dat o.a. geografisch onderzoek doet door middel van satellietfotografie, en de Technische Hogeschool Twente (sinds 1986 Universiteit Twente).
Veel van de leeggekomen fabrieksterreinen werden heringericht tot moderne woonwijken, en enkele opvallende fabrieksgebouwen werden verbouwd tot appartementen.

Wederopstanding

Langzaamaan kroop Enschede uit het dal. De werkgelegenheid groeide, het aanbod van banen werd veel meer gedifferentieerd en door de vele nieuwbouw en herstructureringsprojecten kreeg de stad een eigentijdse aanblik, niet meer te vergelijken met de rokende fabrieksstad van vroeger.
De vernieuwing is sindsdien onophoudelijk doorgegaan. In 1982 werd het nieuwe, sindsdien autovrije, stadserf geopend. Samen met de vele voorzieningen en instellingen op o.a. de terreinen onderwijs en cultuur (waaronder het nieuwe muziekcentrum, de Hogeschool Enschede en het Medisch Spectrum Twente) groeide Enschede uit tot de centrumstad van de regio.
In de jaren zeventig, tachtig en negentig zijn vele nieuwe woonwijken en bedrijfsterreinen gebouwd, veelal aan de rand van de stad en in een geheel nieuw stadsdeel ten zuiden van Enschede.

In mei 2000 voltrok zich opnieuw een grote ramp in de stad: door de explosie van een vuurwerkfabriek werd een complete woonwijk verwoest. De betreffende wijk wordt in de nabije toekomst, in samenhang met de VINEX-locatie ‘Groot Roombeek’ herontwikkeld. Op moment van schrijven wordt tevens het twintig jaar oude stadserf heringericht, waarbij de komst van Holland Casino en de Bijenkorf ervoor moet zorgen dat het stadscentrum opnieuw aan allure wint en de centrumfunctie van Enschede verder wordt uitgebouwd.